Van Montfortaans Seminarie tot Montfortcollege

Wij willen U even begeleiden doorheen de geschiedenis van het Montfortcollege : hoe het groeide van apostolische school naar Montfortaans Seminarie en tenslotte tot het huidige Montfortcollege en Montfortinternaat.

Reeds in 1922 was pater Moors zaliger in Leuven begonnen enkele jongens rond zich te verzamelen, die les volgden in het Drievuldigheidscollege van de paters Josefieten te Leuven. Het was het begin van een Vlaamse school voor de opleiding van montfortanen in België.Het aantal kandidaat-montfortanen groeide gestaag en men moest aan uitbreiding denken.Door een gelukkig toeval vernam men dat er in Rotselaar een kasteel te koop stond. “Vrouwenpark”.
Dit domein was vroeger aangekocht door de familie Moerinckx.Het koopcontract werd gesloten op 5 november 1927. Dit alles kon gebeuren dankzij de toewijding van de paters Moors en Claes en de inbreng van vele weldoeners, vooral de families Pasc. Delahaye en Merckelbach-Rouwette.

Het was de overtuiging van de stichters van Rotselaar dat de Kleine H. Theresia dit huis aan de hand deed. Uit dank plaatste men daarom een beeld van deze Heilige te midden van rozen in het park.

Maandag 8 oktober 1928 is een belangrijke dag in de geschiedenis van onze school in Rotselaar, de dag waarop het eerste schooljaar begon met 27 leerlingen.
Het was een jaar van aanpassing hier ter plekke van een oud, vervallen kasteel tot schoolgebouw en internaat.

Op maandag 15 oktober 1928 werd het huis officieel ingezegend onder de naam O. L. Vrouw Zetel der Wijsheid. De naam “Vrouwenpark” werd omgedoopt in “O.L.Vrouwepark”.De eerste directeur was pater L. Moors. Hij zal worden opgevolgd door de paters H. Janssen, M. De Bruyne, W. Loop, J. Meerkens, A. Schreurs, en dan volgden de leken: W. Schreurs, P. Jansen, F. Geleyn, A. Troch, L. Vertommen, C. Foulon en sinds 1 september 2016 Bart Schollen.

De eerste winter van 1928-1929 was bijzonder streng en dat in zo’n groot gebouw, zonder verwarming, zonder stromend water, zelfs zonder elektriciteit, maar wel met een aantal kachels en petroleumlampen. Al die ongemakken werden met edelmoedigheid verdragen. Men zag er een voorbereiding in op het latere missionarisleven.

De lessen werden gegeven door paters montfortanen die een Latijn-Griekse humaniora opleiding gaven, eeuwenlang de gebruikelijke opleiding voor priester-kandidaten. Het materiële werk werd verzorgd door de broeders montfortanen. Zij waren onmisbaar in een tijd waarin men alles zelf moest onderhouden, met eigen mankracht en op eigen kosten.In die tijd stond hier alleen het oude kasteelgebouw dat we tegenwoordig het Abdissenhuis noemen, verder nog de oude proosdij, de burcht en de boerderij. Het aantal leerlingen breidde zich geregeld uit zodat nieuwbouw noodzakelijk werd.

Met eigen middelen en met de inbreng van vele weldoeners werd in 1936 de grote bouw met het trappenhuis aan het klooster gebouwd. We noemen het nu Alveus.

Het aantal leerlingen bleef groeien, dankzij het goede onderwijs dat geboden werd en dankzij de inspanningen van de paters die elke grote vakantie per fiets naar de Vlaanders en Limburg trokken om er kandidaat-montfortanen te ronselen.

De tweede WO bracht op velerlei gebied verandering in het onderwijs en ook in de godsdienstbeleving van velen. Die mentaliteitsverandering ging ook in Rotselaar niet ongemerkt voorbij. Men zette als het ware de deur wat verder open en ook niet-priester-kandidaten konden hun middelbare studies hier voltooien.

Het witte paviljoen, waar nu het secretariaat huist, werd gebouwd en daarin werd het Voorbereidend Jaar ondergebracht. Men hield nog wel vast aan de Latijn-Griekse humaniora en na erkenning van staatswege mocht men officiële diploma’s uitreiken. De naam veranderde stilaan in Montfortaans Seminarie: een open school-internaat voor jongens, waaruit elk jaar enkele jongeren zich meldden om hun verdere studies aan het montfortaanse grootseminarie in Oirschot (NL) voort te zetten.

In 1954 werd dekapelgebouwd die een belangrijke plaats innam in het dagelijkse leven van de paters en de leerlingen. Rond 1964 had de bouwmicrobe pater Meerkens te pakken: in snel tempo werd de blok Gheysels – tussen de grote bouw en de kapel – gerealiseerd, we noemen het nu Babel. En daarna volgden de aula en de nieuwe proosdij.

Nieuwe afdelingen zoals Latijn-Wiskunde en andere werden opgericht. Er waren steeds meer leslokalen nodig. In 1985 werd uiteindelijk de nieuwe school gebouwd, nu “de waterkant”. Het Montfortaans Seminarie was getransformeerd tot Montfortcollege, een open college met algemene vorming voor meer dan 250 leerlingen, allemaal internen.

Ook daarin kwam echter snel verandering. In 1989 kwamen de eerste externen, jongens, en in 1994 – eindelijk – de eerste meisjesexternen.
Intussen was het beheer van het montfortcollege, het onderwijs en het internaat, volledig in handen van leken, met als eerste lekendirecteur, Willy Schreurs en voor het internaat Willy Vertessen.

Met het bereiken van de kaap van de 600 leerlingen in 2001 werd Jos Petes, leraar Biologie en Chemie , benoemd tot adjunct-directeur van de school. Hij werd later opgevolgd door Yves Theyskens, tot dan leraar Frans. 

In datzelfde jaar 2001 werd het nieuwe internaat gebouwd, toegankelijk voor jongens en meisjes.Zo kregen niet alleen de internen een modern onderkomen, maar kwam er ook meer ruimte vrij voor de ruim 600 leerlingen.

In al deze jaren zetten 71 paters en 56 broeders montfortanen hun beste krachten in voor de vorming en de opleiding van jonge mensen.

In de jaren ‘80, toen er steeds minder paters onderwijs gaven, werd de vorming van jongeren tot volwassen christenen volgens de montfortaanse spiritualiteit weergegeven in het montfortaans opvoedingsproject, een brochure die inmiddels meerdere keren werd herwerkt.Aan het Montfortcollege studeerden ondertussen meer dan 5000 leerlingen af. Er kwamen 70 roepingen uit voort: 6 broeders en 64 priesters, bijna allen montfortaan.

In december 2012 vierden we de 100ste verjaardag van Pater Mennens, hij overleed zeven maanden later. Sindsdien bestaat de kloostergemeenschap uit broeder Albert, broeder Jean, en pater L. Moors.

De 250 leerlingen van 1985 werden er inmiddels 889. En al hebben we de laatste 30 jaar geen roepingen meer gehad, we sturen nog altijd geëngageerde gediplomeerden de wereld in. Montfort leeft in Rotselaar, en ver daarbuiten.

Met gretig gebruik van de toespraak van pater Gelissen, Provinciaal van de belgische provincie, bij de viering in 2003 van 75-jaar Montfort in Rotselaar.

Mariapark

Een abdij in Rotselaar : Vrouwenpark

In de 12de eeuw werden in ons land een achttal Cisterciënzerabdijen gesticht : de bekendste zijn Orval, Ter Duinen (Koksijde), en vooral Villers-la-Ville, met zijn indrukwekkende ruïnes. Rond 1200 wilden grote groepen vrouwen uit de adel en de stad eveneens gaan samenleven in gelovige gemeenschappen. In de steden groeiden hieruit de begijnhoven. Maar nog meer vrouwen wilden leven volgens de regels van de cisterciënzers. Tussen 1200 en 1250 ontstonden niet minder dan 
50 Cisterciënzerinnenkloosters in ons land : één per jaar. Een ware explosie, in vergelijking met de 8 mannelijke abdijen uit de 12de eeuw.

Kort vóór 1215 ontstaat ook in Rotselaar een Cisterciënzerinnenabdij : zij krijgt de mooie naam “Vrouwenpark”. Stichter was waarschijnlijk de plaatselijke ridder Arnold van Rotselaar, die te Rotselaar bij de Dijle in een burcht woonde. Hij was een “vazal” of “leenman” van de hertog van Brabant. Omdat de Cisterciënzers op symbolische wijze te midden van de ongerepte wildernis wilden leven en bidden, stichtte Arnold van Rotselaar de abdij in een omheind stuk bos, dat als wildpark dienst deed : vandaar de naam “park”. “Vrouwen” verwijst naar de adellijke dames, die deze abdij gingen bevolken. 
Het eikenbos werd later “Kloosterbos” genoemd en lag tussen de abdij, Wezemaal en Holsbeek.

De abdij kende een snelle groei, dank zij vele schenkingen van gronden en hoeven in de streek en de streek van Tienen. Al snel werd de abdij bekend : toen rond 1220 een jodin uit Leuven, Rachel, zich bekeerde tot het christendom, vluchtte zij naar Vrouwenpark, om te ontkomen aan de woede van haar ouders. Catharina, zoals haar christelijke naam luidde, werd na haar dood zaligverklaard (“Catharina van Vrouwenpark”).

Hoe leefden de Cisterciënzerinnen?

Typisch voor de Orde van Cîteaux was het onderscheid tussen monniken/zusters en lekebroeders/lekezusters of “conversen”. Dit laat zeer duidelijk zien dat men de maatschappelijke indeling aanvaardde zoals ze was : de monniken/zusters kwamen uit de rijke adel, en konden lezen, wat belangrijk was voor het lezen en zingen van Bijbelse teksten; de conversen kwamen vaak uit landbouwersfamilies en konden niet lezen of schrijven. Bij de Cisterciënzers bleef dit onderscheid dus bestaan tot binnen de muren van de abdij. 
Hoeveel personen de abdij bevolkten tijdens de Middeleeuwen, weten we niet. Wel hebben we enige cijfers voor de periode van de 16de tot de 18de eeuw : Vrouwenpark telde toen steeds ongeveer 18 tot 25 nonnen (+ de abdis), en 11 tot 15 conversen. Daarnaast was er nog een onbekend aantal meiden en knechten.

De Cisterciënzerinnen wilden het leven van Christus navolgen, en soms ook het lijden; daarom hechtten zij heel veel belang aan de Eucharistie en een leven in armoede. Een dag in het klooster was een evenwichtige mengeling van gemeenschappelijk koorgebed in de kerk (9 keer op 24 uur, waarvoor ze dus ook ‘s nachts moesten opstaan), privégebed (twee uur per dag), en (lichte) handenarbeid. Negen maal per etmaal kwamen de nonnen samen in de kerk om er samen te bidden en te zingen.

De zusters verrichtten lichte handenarbeid (spinnen, naaien, borduren van liturgische gewaden); het zware werk op de abdijhoeven was voor de conversen.
De nonnen droegen een ruw kleed van witte wol met lederen riem en een zwarte kap, wollen sokken en schoenen van ruw leder. Zij verlieten nooit de eigenlijke kloostergebouwen : zij waren dus werkelijk afgesloten van de buitenwereld.

Eén keer per dag vergaderden alle nonnen in de kapittelzaal : daar werd dan een hoofdstuk uit de Regel van Benedictus voorgelezen, werd over allerlei zaken beraadslaagd, en moesten de nonnen hun fouten en misstappen meedelen, ook die van de andere nonnen ! De abdis legde dan een gepaste straf op.

De maaltijden vonden plaats in de refter, in absolute stilte. De tafels stonden in rijen langs de muur. 
De nonnen aten aan één zijde van de tafels, met het gezicht naar de muur, zodat zij elkaar niet konden aankijken. Tijdens de maaltijd las één van hen een gewijde tekst voor vanop een hoger geplaatst gestoelte tegen één der wanden. De nonnen waren echte vegetariërs : ze aten geen vlees of eieren, maar roggebrood, fruit, en vis of schelpdieren. Er werd geen vet gebruikt in de keuken. Elke non kreeg een welbepaalde portie wijn : een drankgewoonte die met de Regel van Benedictus uit Italië was overgewaaid. En dan waren er nog de vele en lange vastenperioden : niet alleen die algemeen door de Kerk waren opgelegd (de Advent, de eigenlijke Vasten, en bepaalde feestdagen), maar ook vastendagen die eigen waren aan de Orde van Cîteaux, zoals de periode van 14 september tot de Advent. Er werden daarom grote hoeveelheden vis en zeevruchten gegeten (zo vonden we oesterschelpen tijdens de opgraving). Vrouwenpark had een grote karper-vijver : die lag tussen de Winge en de Drielindenstraat.

Uitzondering op dit strakke dieet werd gemaakt voor de zieken. Zij verbleven, uit schrik voor besmetting, in aparte gebouwen (de “infirmerie”). In de nabijheid lag de kruidentuin, met geneeskrachtige kruiden. Zij kregen wel “krachtvoedsel”, zoals vlees en vet. 
Aanvankelijk sliepen de nonnen op een gemeenschappelijke slaapzaal. Vanaf de 15de eeuw wordt de slaapzaal verdeeld in kleine, half-open “slaapcellen”, die slechts door een lage houten wand van elkaar werden gescheiden. Zoals de monniken sliepen ook de nonnen met hun kledij aan, zodat ze tijdig de nachtelijke koordiensten in de kerk konden bijwonen.

Het toezicht op de vrouwenabdij

Alle cisterciënzerinnenabdijen stonden onder toezicht van een mannenabdij van de Orde : zo stond Vrouwenpark onder de hoede van Villers-la-Ville. Die stuurde dan een biechtvader naar de abdij, om de biecht van de nonnen af te nemen. Hij had alleen toegang tot de kerk. De biechtvader was een belangrijke tussenpersoon tussen de nonnen en de controlerende mannenabdij.

Daarnaast had elke nonnenabdij één of meerdere kapelaans. Deze priesters waren niet noodzakelijk Cisterciënzermonniken. Zo werden de missen in de abdijkerk van Vrouwenpark opgedragen door kapelaans (priesters, die geen pastoor waren) uit de kerk van Rotselaar. Ook deze priester had geen toegang tot de kloostergebouwen.

Ten slotte was er in elke nonnenabdij een “proost” : hij werd gekozen door de abdis, maar haar keuze moest goedgekeurd worden door de abt van Villers. Omdat de nonnen de abdij niet mochten verlaten, reisde hij naar de landgoederen en de abdijhoeven, probeerde hij geschillen op te lossen, en zorgde 
hij voor de geldzaken.

Hoe zag de abdij er uit?

Dat is nu precies het doel van de opgraving. Gelukkig hebben we ook enkele afbeeldingen, waaronder een uitzonderlijke gekleurde tekening van rond 1600.

In de Middeleeuwen kwam de bezoeker langs de oude baan van Leuven naar Aarschot : die baan werd gevormd door de huidige Drielindenstraat en de Abdijlaan + Eekstraat. De lange, rechte laan, die nu nog altijd bestaat, leidde naar de abdijpoort. Aan de Wingebrug bevond zich de watermolen van Vrouwenpark. Links van de laan strekte zich, tot tegen de Losting, een tweede visvijver uit, althans in de 18de eeuw (nu ligt daar nog steeds een lager stuk weiland).

Heel het abdijdomein was omringd door grachten en voor een deel ook door een muur. De grachten 
(nu verbreed tot vijvers) worden nog steeds gevoed door de Winge. De muur was de symbolische afsluiting tussen deze “hemelse” nonnengemeenschap en de buitenwereld. Via een poortgebouw kwam men in het buitengedeelte van de abdij. Daar werkten de conversen, de pachter, de meiden en knechten. Alleen de conversen werden toegelaten in de abdijkerk. De pachter, de meiden en knechten werden gedoopt, trouwden en vierden de mis in de kerk van Wezemaal. Maar het is niet uitgesloten dat zij begraven werden binnen de abdijmuren.

Naast de boerderijgebouwen (woning van de pachter, stallen, schuur, …) was er een mooie duiventoren. Ook was er rond 1500 een gebouw waar allerlei lederen voorwerpen werden gemaakt. Aan de andere kant van de eigenlijke kloostergebouwen bevond zich een brouwerij. In bepaalde perioden van de abdij bestond er ook een baksteenoven.

De eigenlijke abdijgebouwen (het eigenlijke “klooster”, van het Latijnse “claustrum” : een afgesloten plaats) waren voorbehouden voor de nonnen en de conversen of lekezusters. Middelpunt van het klooster was een kleine, vierkante hof. Rond deze kloosterhof liep een open galerij, de kloostergang, 
die alle kloostergebouwen met elkaar verbond. Daarrond werden de kloostergebouwen geschikt, die dus samen een groot vierkant vormden. De kerk bevond zich aan de noordzijde, en was, zoals de meeste kerken, mooi van west naar oost gericht. Aan de westzijde lag de “conventsvleugel” of de vleugel van de nonnen, met op de benedenverdieping gewoonlijk : de kapittelzaal, de refter, de keuken, en misschien ook de vleugel van de “novicen” (jonge zusters die de kloostergeloften nog niet hadden afgelegd); op de bovenverdieping strekte zich de slaapzaal uit. 

De zuidvleugel herbergde waarschijnlijk de werkplaats voor de nonnen en een aparte werkplaats voor de lekezusters. In de westvleugel, op eerbiedige afstand dus van de conventsvleugel, lag waarschijnlijk de refter van de conversen, en de voorraadkelder, het enige kloostergebouw dat is blijven bestaan.
Ten oosten van de kerk lag gewoonlijk het kerkhof van de nonnen. We hebben echter ook veel graven gevonden langs heel de noordkant van de kerk. Even verder naar het oosten zien we rond 1600 een apart groepje gebouwen : wellicht het abdissenhuis (op die plaats werd in de 17de eeuw een nieuw, groot abdissenhuis gebouwd) en het gastenkwartier. De proost verbleef in een apart 
gebouw : de “proosdij”. Het oude proosdijgebouw bestaat nog en dateert uit de 17de eeuw.

De abdijkerk

Een Cisterciënzerkerk was erg eenvoudig, in tegenstelling tot de rijke abdijgebouwen van de Benedictijnen. Het was een langwerpig, rechthoekig gebouw, zonder stenen klokkentoren. Op het dak stond een eenvoudig, houten klokkentorentje (een “dakruiter”). Meestal schijnen de cisterciënzerinnenkerken slechts 30 m lang te zijn geweest. Ze waren met een eenvoudige houten zoldering overdekt.

De kerk van Vrouwenpark was een uitzondering: ze is niet minder dan 50 m lang. Ze bezit geen rechthoekig, maar een veelhoekig koor (we herkennen nog de eerste twee geknikte muurvlakken);
en bovendien is er een “dwarsbeuk” of “transept”, een uitspringend gedeelte van de kerk, waarin vermoedelijk een kapel was. In het schip (het deel tussen de dwarsbeuk en het westelijke einde) hebben we nog geen sporen gevonden van een stenen gewelf. Maar het koor was voorzien van een prachtig stenen, vroeggotisch gewelf. De gewelfvlakken werden gedragen door “ribben” in ijzerzandsteen. Waar al deze ribben samenkwamen, op het hoogste punt in het gewelf, was een prachtig versierde “sluitsteen” aangebracht. Deze steen werd teruggevonden in 1955. Op de zijkanten zie je nog de plaats waar de ribben eindigden. Aan de onderkant is een kind- of engelenhoofdje gebeeldhouwd, omringd door ranken. Aan de westkant is “de kroning van Maria” uitgebeeld : Christus kroont Maria tot Hemelkoningin. Resten van de middeleeuwse beschildering zijn bewaard : blauw, rood en zelfs goudverf. Dit gotische koor is, net als het oostelijke deel van de kerk, in plaatselijke ijzerzandsteen opgetrokken en dateert van rond 1275.

Het oostelijke uiteinde van het koor was de heiligste plaats van de kerk : hier stond het altaar waarop de priester voor de nonnen de mis opdroeg.

De rest van het schip is jonger : de muren zijn gebouwd in baksteen, met lagen witte zandsteen tussen. Wij denken dat het om een vernieuwd deel gaat uit de 16de eeuw.

Langs de hele zuidkant van de kerk liep de kloostergang. In de 17de of 18de eeuw werd ook tegen de noordkant van de kerk een gang gebouwd : de bakstenen fundering kan je nog goed zien. Van in die gang kwam je langs een deuropening in de dwarsbeuk. Van daar kon men de kerk betreden via een brede poort. Aan de rechterkant vand deze poort zien we nog het onderste stuk van een eenvoudig zuiltje met ringvormige voet, uit de 13de eeuw. Links van deze poort is nog een klein deel van de middeleeuwse vloer bewaard : enkele kleine, met gekleurd glazuur bedekte tegeltjes.

De vloer in het kerkschip is nog helemaal aanwezig. Het gaat om de jongste vloer, die volledig uit bakstenen tegels bestaat : misschien was er vroeger wel een oudere vloer. bewaard. In de vloer zien we gleuven : hier waren de koorbanken in bevestigd. Dat was eigenlijk een langgerekte houten bank, met hoge leuning en een apart houten zitje voor elke non. Vanop deze koorbanken zongen zij samen de koorgebeden. Zelfs binnen de kerk werd het onderscheid tussen nonnen en conversen
gehandhaafd : elke groep had namelijk een eigen koorgestoelte : de nonnen in het oostelijk deel van het schip, de conversen in het westelijk deel. Deze twee koren waren van elkaar gescheiden door een koorafsluiting of “doksaal”, waarvan we de stenen sokkel in de vloer herkennen. Waarschijnlijk ging het in deze kerk om een eenvoudig hekken.

Het kerkhof

Tijdens de opgraving zijn veel skeletten blootgelegd. Wie hier begraven is, weten we nog niet. Het is niet uitgesloten dat het gaat om lekezusters, meiden en knechten, en misschien ook rijke mensen van buiten de abdij : die wilden immers erg graag zo dicht mogelijk bij een abdij begraven worden. Men meende immers dat, hoe meer er werd gebeden voor de overledene, hoe meer kans hij maakte in de hemel te geraken. De “beste plaats” was dus : zo dicht mogelijk bij het koor van biddende monniken of nonnen.

De skeletten kunnen ons heel wat leren over het dagelijkse leven van onze voorouders (bv. voeding, misgroeiingen door hard werk), hun ziekten, de leeftijd bij overlijden en de overlijdensoorzaak.
Ook leren zij iets over het geloof in het hiernamaals. Alle doden werden begraven met de voeten naar het oosten : de hoofden “kijken” dus naar de plaats waar de zon opkomt, symbool voor het Licht dat Christus is; ook “zien” de doden zo naar de richting vanwaar men dacht dat Christus op de Dag van het Laatste Oordeel in volle glorie zal verschijnen.

Heel merkwaardig is de vondst van een klein muntje op de mond van één der doden. Deze “steekpenning” herinnert nog steeds aan een heidens geloof : men dacht dat de dode met dit muntstuk de veerman moest betalen die hem zou overvaren naar de dodenwereld…

De voorraadkelder (de krocht)

Met deze voorraadkelder bezit Rotselaar een uniek, zeer zeldzaam middeleeuws gebouw. Het is de intact bewaarde onderste verdieping van een gebouw van rond 1230, uit de beginperiode dus van Vrouwenpark. Het gebouw is nog in laat-Romaanse stijl. Het prachtige gewelf wordt gedragen door twee korte, dikke zuilen in blauwe Doornikse kalksteen. De kapitelen (de bovenste steen van een zuil) zijn eenvoudig versierd met een spits bladmotief. De muren en het onderste deel van de gewelven bestaan uit ijzerzandsteen, die zo fijn bewerkt is dat de stenen precies, bijna naadloos op mekaar aansluiten. Het bovenste deel van de gewelven is in witte zandsteen. Langs de brede buitendeur konden karren binnenrijden. De kleine deur aan de oostkant gaf toegang tot de kloostergebouwen.
Aan de oostkant zijn enkele smalle raamopeningen. Aan de westkant valt schaars licht binnen door enkele lichtspleten die net boven het grondniveau uitsteken : de kelder was dus half in de grond ingebouwd. In de binnenmuren zie je enkele kleine rechthoekige openingen; het gaat om muurholten die konden worden afgesloten met houten luikjes : muurkastjes dus.

Het einde van Vrouwenpark

Op het einde van de 16de eeuw, toen ons land lange tijd in oorlog was met Spanje, moesten de
nonnen de abdij verlaten, en verbleven zij in een “vluchthuis” binnen de veilige stadsmuren van Leuven.
Pas rond het midden van de 17de eeuw verving een abdis van Spaanse afkomst een groot deel van de vervallen gebouwen door nieuwe gebouwen : van deze 17de-eeuwse “nieuwe abdij” bestaan nog het vroeger abdissenhuis (nu het huis van de paters Montfortanen), de boerderijgebouwen (met jaartal boven de deur : 1671) en het sierlijke bakstenen huis van de proost.

Vrouwenpark hield op te bestaan in 1796, tijdens de Franse Revolutie, toen de Fransen ons land bezet hadden en alle abdijen afschaften.

Vrouwenpark verdwijnt … maar niet helemaal

In 1814 werd het voormalige abdijdomein gekocht door Jean-Baptiste Moerincx, uit de rijke Antwerpse burgerij. De familie Moerinckx zou hier blijven wonen tot 1926, toen zij het domein verkocht aan de paters Montfortanen.

Van het 17de-eeuws abdissenhuis maakte Moerinckx een sierlijk kasteeltje. Alles wat herinnerde aan het kerkelijke karakter, liet hij volledig afbreken; niet de voorraadkelder en de 17de-eeuwse boerderij en proosdij. Dwars doorheen het afgebroken klooster groef hij een vijver, die hij doorheen de kelder
leidde : de kelder werd zo een kunstmatige grot, waarin de vijver, met stromend water, een watervalletje vormde. Heel het domein vormde Moerinckx om tot een romantisch, Engels park. Met de aarde uit de gegraven vijver bedekte hij de abdijruïnes, waaronder de resten van de kerk. Zo ontstonden kunstmatige heuvels, waarop hij bomen plantte. De dikste bomen van het park dateren nog uit die tijd. Naar het voorbeeld van heel wat Engelse parken, liet hij ook constructies in namaak-gotiek neerzetten. Moerinckx gebruikte daarvoor ijzerzandstenen uit de 13de-eeuwse abdijgebouwen : we vinden daarom prachtig bewerkte stenen terug in het neogotisch paviljoentje aan de Aarschotsesteenweg, en vooral in het bruggetje aan de oude proosdij, met mooi versierde bladkapitelen : zuivere middeleeuwse kunst in een 19de-eeuws nabootsing van de middeleeuwen.

Enkele belangrijke data uit de geschiedenis van de abdij.

1058 – Stichting

1215 – Overgang van de orde van St.-Augustinus naar die van Citeaux.
Intrede van en begiftiging door Reynerus van Dieve

1218 – Goedkeuring door hertog Hendrik van Brabant en paus Honorius 111.

1233 – Bevestiging door Arnoldus van Rotselaar en Johannes, bisschop van Luik, van de schenkingen door de vader van Arnoldus aan de abdij gedaan (d.i. de t tienden van Rotselaar Haacht en Tervuren).

1239 – Arnoldus. schenkt een molen “ten Dieve”.

1264 – Arnoldus begiftigt de abdij met een wijngaard op de “Rodenberg”.

1266 – Bulle van paus Clemens 1V, die de gelovigen uit de bisdommen Utrecht, Kamerrijk en Luik aanspoort om mee te werken aan de heropbouw van de abdij, die wegens haar ouderdom vervallen is en die de zusters door eigen middelen niet kunnen herstellen.Hij schenkt aan de weldoeners een aflaat en spreekt van “reparare cupiunt opere sumptuoso”.

1269 – Arnold van Wezemaal schenkt aan het klooster een molen te Beversluys.

1578 – De abdij wordt geplunderd en gedeeltelijk door brand vernield. Wegens de oorlog blijft zij zes jaar verlaten. Door ‘n geldinzameling kan haar refugehuis te Leuven heropgebouwd worden.

1635 – Tijdens het beleg van Leuven door de Hollandse en Franse legers wordt weer veel geplunderd, beschadigd en gestolen (vee, klokken, orgel, twee ketels van de brouwerij).
De kerk van Wommersom wordt door de Fransen in brand gestoken, hetgeen ten laste van de abdij valt. De zusters verblijven drie jaar in hun refugehuis.

1661 – Een nieuwe abdij wordt opgetrokken door abdis Robertine d’Amenzaga, door middel van eigen fortuin, bruidschat van negen religieuzen, verkoop van bomen, enz. (= de huidige rechtervleugel van het hoofdgebouw).

1796 – Definitieve ondergang, confiscatie en verkoop door de Franse revolutionairen.
– De nonnen werden verdreven en de goederen verbeurd verklaard.
– Op 6 nov. 1796 werd het domein verkocht aan een zekere citoyen Hurlet uit Brussel.
– De kerk werd gesloopt. Het uitzicht van een klooster moest worden weggenomen.

1814 – Het voormalige abdijdomein wordt gekocht door Jean-Baptiste Moerincx.
Nieuwe naam: “Moerincx-kasteel” .

1914 – De familie Moerincx vlucht naar Engeland. Ruprecht van Beieren vestigt
hier zijn hoofdkwartier.

1918 – Na de oorlog keren de kinderen Moerincx terug naar hun kasteel.

1925 – De familie Moerinckx ziet zich verplicht hun goederen te verkopen.
In percelen verdeeld werden dadelijk 110 ha openbaar verkocht.

1927 – Het kasteel met onmiddellijke omgeving, samen 11 ha groot, vond niet zo gauw een liefhebber. De paters Montfortanen ontdekten het domein en achtten het geschikt voor hun seminarie.
Op 5 november 1927 had de aankoop plaats.

1928 – Op 1 januari ging het eigendomsrecht over naar de paters Montfortanen.
Zij richten er een apostolische school op met een internaat voor jongens:
het Montfortaans Seminarie.

1935 – Op 8 oktober begint het heiwerk (112 palen ) voor de bouw van de rechtervleugel van het hoofdgebouw (Alveus).

1936 – Op 9 februari werd de eerste steen gelegd van dit nieuwe gebouw.

1936 – Op 2 juli plaatst men het Mariabeeld, gekapt uit één stuk steen door de Gentse kunstenaar
De Beule, in de top van de voorgevel.

1936 – Op 5 oktober bij het einde van de langere vakantie (vanwege de bouwwerken) konden de
79 leerlingen wonen en ook studeren in het nieuwe gebouw.
In de nieuwe kapel werd ‘s anderendaags de eerste H. Mis opgedragen.

1948 – Herstellen en bewoonbaar maken van de oude Proosdij.

1949 – 17 mei: eerste steenlegging van het Witte Paviljoen voor voorbereidend jaar, het latere directiehuis.

Inzegening: 19 maart 1950

1954 – Eerste steenlegging van de Kapel: 28 april 1954.

Inzegening: 1 mei 1955.

1962 – Eerste steenlegging van de Aula – Sporthal: lente 1962

Inzegening: 10 november 1963

1964 – Eerste steenlegging van de klassenbouw (Babel) Jos Gheysels: begin april.

1966 – Eerste steenlegging van de Nieuwe Proosdij.

Ingebruikneming: 1 september 1967.

1984 – Eerste steenlegging van het Schoolgebouw (Waterkant).

Inzegening: 1985

1989 – De eerste externe leerlingen-jongens in MCR.

1994 – De eerste externe meisjes-leerlingen in MCR.

2000 – Eerste steenlegging van het nieuwe internaat voor jongens en meisjes.

2001 – De eerste interne meisjes-leerlingen in MCR.

2002 -31 mei: Inzegening van het nieuwe internaatsgebouw.

Legenden van het Vrouwenpark.

(Deze teksten werden overgenomen mits een kleine aanpassing uit het ” Gedenkboek 50 jaar O.L.Vrouwepark Rotselaar ” D/1978/1108/1 ) A. Van den Broeck in zijn “HISTORISCHE MENGELINGEN” uitgegeven in 7897, gaan wij aan het woord laten. Wij zullen zijn taal én zijn spelling enigszins moderniseren, maar laten verder alles zoals het tachtig jaar geleden geschreven werd.


Vrouwenpark te Rotselaar
Herinneringen en overleveringen

Vóór de grote Franse revolutie, die ons ongelukkig vaderland zo wreed teisterde, bestonden er in de omstreken van Leuven drie vermaarde abdijen.
-De Abdij van het Park (Heverlee),
-De Abdij vanVlierbeek (Kessel-Lo),
-Het Vrouwenpark te Rotselaar.

Het is over dit laatste gesticht, het Vrouwenpark te Rotselaar, dat wij de lezer enige herinneringen zullen ten beste geven.
De reiziger die de steenweg van Leuven naar Aarschot bewandelt, vooraleer te Wesemaal aan te komen, zal links een schoon buitengoed bemerken, omringd met hoven, bospaadjes, graspleinen, vijvers, enz.
Dit kasteel, dat thans toebehoort aan de familie Moerincx, is al wat er overblijft van het voorheen zo vermaarde Vrouwenpark. Deze abdij had haar oorsprong te danken aan een woning, aldaar in de twaalfde eeuw gebouwd, door een zekere Hugues, baron van Wesemael en zijn echtgenote Beatrix,
voor enige zusters van de orde van de H. Augustinus.
Deze zusters namen later in 1215 de regel van de H. Bernardus aan, genoemd naar de orde van Citeaux. Sindsdien nam het klooster de rang aan van abdij.
De baron van Wesemaal en Rotselaar schonken de abdij vele goederen. Hendrik 1, hertog van Brabant verleende haar (Q ~roote) voorrechten.
Aldus begunstigd, duurde het niet lang of de abdij verhief zIch tot de grootste luister en rijkdom.
De abdis, die de eer genoot de bisschopsstaf te mogen dragen, werd gekozen onder de edelste vrouwen van het land. Het gesticht bezat in de stad Leuven een deftige schuilplaats, gebouwd in 1740 aan de Dijle in de huidige Brouwersstraat.
Deze abdij werd vernietigd, (14 Vendemiaire an 5) (5 October 1796) en de gebouwen verkocht door het franse bestuur. De overblijvende nonnen, ten getale van 19, zochten hun schuilplaats in Haacht (gehucht Scharent) en verbleven aldaar tot 1800 op een pachthof, een oud kasteel. (…het gehucht Scharent ligt niet ver van Wakkerzeel. Het is met watergrachten omringd doch het kasteel is onbewoond. Het behoorde destijds toe aan de heer Schots….)
Dat is in korte woorden weergegeven hetgeen de geschiedenis ons vertelt. Haar stilzwijgen is echter overvloedig aangevuld door de legende.
Volgens vele gewijde schrijvers, die over de godsdienstige geschiedenis van België gehandeld hebben, bestond er in die tijd te Vrouwenpark een der meest vermaarde heiligdommen van de H. Maagd. In het Gastkoor rustte een mirakuleus beeld der Moeder Gods. Over dit mirakuleus beeldje verhalen geloofwaardige schrijvers de nu volgende legenden.
(Het beeld rust thans in de kerk te Rotselaar en wordt er nog veel bezocht en verëerd.)

1. Het mirakel van de zingende Madonna.


Zekere dag moest een zuster, die haar proefjaren pas voleind had volgens een voorschrift van de regel van Citeaux een vers der vroegmetten alleen zingen. Het was de eerste maal dat zij dat deed. Zij was erg zenuwachtig, en toen zij in het koor naar voren trad, kon zij ternauwernood enige verstikte tonen laten horen.
Plotseling hoorde men in plaats van de bevende stem van de zuster een goddelijk gezang, welluidender dan dat van een nachtegaal gedurende de zomernachten, aan hare zijde weerklinken en de psalm ten einde toe begeleiden. Het was de H. Maagd zelve, neergedaald uit de hemel, om haar welbeminde dienares te ondersteunen en te versterken.

2. De heilige Maagd toont het Kindje Jezus.


Een andere zuster dacht, terwijl zij voor het altaar van de H. Maagd aan het bidden was, het Kindje Jezus op haar armen te houden. Na haar gebed wilde zij die kostbare last op het altaar leggen, vermits zij door de regel elders geroepen werd. Maar het goddelijk Kind sloeg zijn armpjes rond haar en bleef aan haar borst hangen zoals het dat zou gedaan hebben bij Zijn Moeder.
O lezer, misschien speelt U een glimlach op de lippen. Dat is niet mooi. Aanzie nooit de godvruchtige overleveringen uit de Middeleeuwen met een ongelovig oog. Kunstenaars die het wonderbare bemint, veracht de mirakels der Christenheid niet! O gij die de Grieken en de Romeinen gelooft, wier geschiedenis met zeldzame vertellingen, om niet verdichtselen te zeggen, doorspekt is, waarom gelooft gij ook niet wat onze voorouders vertellen ? – O gij die gevoelig bent aan fantastische vertelsels, veracht de christelijke legenden niet, noch de soms fabelachtige geschiedenis onzer voorvaders.
Indien tot uw ongeluk het Christendom opgehouden heeft voor U een bron van vertroosting te zijn en van vreugde, laat het dan, tenminste voor onze dichters een bron van poëzie en begeestering blijven.
Het fantastische dat gij in sommige fabelen zoekt vindt zijne oorsprong in het Christendom: het is ontstaan in de eenzaamheid van de kloosters, in de wildernissen van de eerste kluizenaars. Luister dus lezer, als het U mogelijk is, met kloppende boezem naar de twee volgende legenden, waarvan de abdij Vrouwenpark het toneel is geweest.

3. De Legende van zuster Beatrijs


In het begin van de XIIIe eeuw leefde er in de abdij een jonge religieuze. Haar naam was Beatrijs.
Zij onderscheidde zich van hare gezellinnen door een bijzondere godsvrucht tot de H. Maagd Maria.
Volle uren bleef zij geknield binnen haar cel, geheel verdiept in overweging en gebed. Zij was voor de andere zusters een blijvend toonbeeld van ootmoed en gehoorzaamheid. Zuster Beatrijs bezat een merkwaardige schoonheid. Toch was zij in het geheel niet hoogvaardig en beoefende aldus de goddelijke deugd van nederigheid. In gehoorzaamheid aan de strenge regel van het klooster werden haar prachtige lokken met de schaar afgeknipt. Een oude schilderij stelde haar voor met bleek gelaat, blauwe ogen bekroond met zwarte welgebogen wenkbrauwen.
Personen, die haar met wereldse ogen aanschouwden betreurden dat zulke schoonheid in de schaduw van de kloostermuren zou verwelken: een bloem zonder zonnestralen.
Nochtans kende Beatrijs alleen het vuur der goddelijke liefde, en offerde zich zelve en al wat zij bezat aan den Schepper op. Zij was ten volle gelaten in haren stand, en geen wolkje scheen de zachte glans van haar voorhoofd, noch de kalme glimlach van haar lippen te verdoven. Maar helaas, die gelukkige tijd ging eindigen: menselijke driften, die zij tot dan toe niet gekend had, gingen in haar hart ontwaken. Beatrix bekleedde de bediening van bewaarster en was bekend onder de naam van zuster Custode. Weldra bemerkten de zusters dat de zoete glimlach van zuster Custode plaats gemaakt had voor al de tekens van een erge zwaarmoedigheid.
Evenwel, mits haar godsvrucht niet verzwakte, maar integendeel scheen te verdubbelen, dacht men dat God haar een nieuwe beproeving had overgezonden die zij eindelijk toch zou te boven komen.
Ziehier de oorzaak van die verandering. De kerk van de abdij was dagelijks open gedurende de goddelijke diensten. Door de alom bekende verering van O.L.Vrouw van Vrouwen-Park kwamen veel gelovigen uit de omstreken en ook edelen uit de omliggende kastelen in grote toeloop de kerk van het klooster bezoeken.
Twee rijke en machtige hoven lagen in de nabijheid. De dames van Rotselaar en van Wezemaal hadden elk hun bidbank, met fluwelen kussens bekleed, aan de ingang van het koor geplaatst. Dikwijls kwamen ook de heer van Wesemaal, Groot-Maarschalk, en de heer van Rotselaar, erfelijk Seneschalk van Brabant, er de goddelijke diensten bijwonen, vergezeld van hun gemalinnen en door de edelen van hun huis gevolgd.
Een jonge edelman, (de geschiedenis noemt zijne naam niet) hofjonker van de hoogadelijke Vrouw van Wesemaal, zag Beatrix, en werd door haar schoonheid getroffen. Hij werd op haar verliefd en trachtte op alle mogelijke wijze haar te zien. Hij wist de hovenier van het klooster om te kopen, en deed door hem aan zuster Custode een brief bestellen, waarin hij haar zijne tedere liefde bekende in woorden, bekwaam om een religieuse te ontroeren. “Zonder u”, schreef hij, “kan ik niet meer leven. Ik zal ongelukkig zijn op deze wereld, en mijn ziel zal verloren gaan. Ik aanroep u als een heilige, als een godheid. Zo gij weigert mij te aanhoren, blijft er mij niets over dan te sterven. Al wat ik vraag is u een ogenblik alleen te spreken, uw stem te horen, al ware het maar om u te vermaledijden”.
Deze gunst smeekte hij haar af als een zieltogende die aan een priester het laatste H. Sacrament afsmeekt; daarna wilde hij in vrede sterven.
Men verbeeldt zich welke gedachte een dusdanige brief in de ziel van een zuster als Beatrix moest doen ontstaan. Al haar denkbeelden kwamen in wanorde, zij was ten prooi aan duizend tegenstrijdige gevoelens. Zij las en herlas de brief zonder hem goed te begrijpen, en naarmate zij er de zin van vatte, verduisterde haar rede, het hart klopte haar onstuimig in de boezem, het noodlottig schrift brandde haar in de handen! Al de driften, waarvan de vonken sinds lang in haar smeulden, ontvlamden plotseling.
Het scheen haar als viel er een blinddoek voor de ogen, en alsof een nieuwe wereld zich voor haar blikken vertoonde. Beminnen en bemind worden.
Ziedaar de oplossing van het raadsel dat haar ziel zo lang had gezocht in onbepaalde en vurige wensen! Langzamerhand klaarden haar gedachten op. Haar ziel werd kalmer. Dan overschouwde zij met schrik de afgrond, die zich voor haar opende. Een ganse jeugd van geluk, eer, deugd en gebeden verdwenen in één stond Zoveel droevige opofferingen, zoveel onbekende zelfopofferingen, zoveel beproevingen met moed overwonnen, dit alles te vergeefs! Alles voor eeuwig verloren. En haar goede naam!
Bij die gedachte klom de schaamte haar op het voorhoofd, haar wangen bloosden. Zij bedekte zich het aanschijn met de handen en zij wierp zich op de knieën voor het beeld van haar beschermster, waar zij zo vaak troost in het gebed had gevonden. Een vloed van tranen verlichtte haar en liet haar met godsvrucht bidden.
Evenwel was de rust uit haar geest gebannen. De brief was altijd daar. Zij moest een besluit nemen.
De edelman had haar een ontmoeting gevraagd achter de haag van de hof; zou zij gaan?
Maar zij had reeds een schrikkelijk bewijs van haar zwakheid ondervonden. Indien hij werkelijk was zoals zij zich inbeeldde. jong en schoon, welbespraakt en stervende van liefde; zij gevoelde zich niet sterk genoeg om hem te weerstaan : zij was reeds half overwonnen. Maar indien zij niet ging zou hij haar dan tevergeefs afwachten? Hij zal haar hart doof wanen voor die liefdes oproep. Arme jongeling!
Hij zal er misschien van sterven. Zo hij zich te kort deed? Zijn ziel zou verloren gaan. En zou zij dan voor God om zijn zaligheid moeten verantwoorden? Zij zou er voor aansprakelijk zijn.
Zij zal God en de H. Maagd bidden haar te versterken; dan zal zij de jongeling zien en spreken. Zij zal trachten zijn vervoering te stillen, hem doen verstaan dat hij al die dwaasheden uit zijn gedachten moet bannen en God zal haar wel de nodige genade verlenen om een ziel van het verderf te redden. Die redenen brachten Beatrix op de doolweg.
Zij begaf zich naar de gevraagde bijeenkomstplaats. Zij worstelde ongetwijfeld lang tegen de verzoeking. Zij sprak vele schone woorden, waaraan zij wellicht zelf geen geloof hechtte; want enige dagen later, liep zij naar het altaar van de H. Maagd; knielde er voor neer en prevelde het volgende gebed: “Heilige Moeder Gods, tot nu toe heb ik al gedaan wat mogelijk was, om mijn plichten zorgvuldig te volbrengen; maar vermits ik thans de uitnodiging niet meer weerstaan kan, geef ik U de sleutels weer, die me toevertrouwd zijn; bewaar ze voor mij.”

Zij legde inderdaad de sleutels op het altaar neer, trok het klooster uit en nam de vlucht met haar verleider.
En dan gedurende de snelle stonden van een voorbijgaande bedwelming, gaf zij zich gans over aan de vurigheid van de jeugd en van de wellust. Zij dronk aan al de bronnen van het vermaak, met een gretigheid die des te groter was, daar zij maagdelijk was geweest. Gedurende enige tijd verloor zij de stem van haar geweten in de maalstroom van dit voor haar zo nieuw bestaan.
Maar haar verblindheid kende een wrede ontgoocheling. Na haar in de ban van zedenbederf gevoerd te hebben, verliet haar de edelman, die haar verleid had. Vaarwel nu schone feesten! Vaarwel de schone klederen! Vaarwel de wellusten.
Met het naberouw kwam ook de ellende. Arm, verlaten, aan schande en wroeging ten prooi, ontvluchtte zij de ogen van allen, uit vrees herkend te worden. Zij hield zich schuil in de meest afgelegen gehuchten, terwijl zij leefde van aalmoezen en genoodzaakt was de zwijnen te hoeden van de meest afgelegen pachthoeven.
Die beklagenswaardige toestand duurde vijftien jaren, zij weende bittere tranen van berouw over haar fouten.
Op zekere dag was Beatrix in haar schamele kleding het klooster genaderd waar zij de schoonste en reinste jaren van haar jeugd had doorgebracht. Zij moest trouwens niet meer vrezen herkend te worden, zo zeer hadden het verdriet en de ellende haar veranderd. Een onweerstaanbaar verlangen overweldigde haar om eens te vernemen wat men daar zo al over haar vertellen zou. Zij belde aan en vroeg aan de zuster portierster of zij zuster Beatrix gekend had en er iets over kon vertellen.
“Zuster Beatrix!” riep de portierster uit, “Of ik haar gekend heb? Zuster Beatrix, onze waardige zuster Custode! Zeker heb ik ze gekend en ik ken ze nog want sinds zij hier is, is zij voor ons allen een stichtend voorbeeld van wijsheid en godsvrucht. Ja, zuster Beatrix is een heilige vrouw, die altijd een stichtend leven geleid heeft, en die zeker een schone plaats in de hemel zal toegewezen krijgen.”
“Zuster”, hernam de ongelukkige meid, “gij bedoelt ongetwijfeld een andere Beatrix. Die Beatrix, waarvan ik wilde spreken, was voor vijftien jaar Custode in deze abdij.
“Juist, vrouwtje, het is wel die Beatrix, die gij gekend hebt, want reeds lang bekleedt zij dit ambt, en nooit is er hier een deugdzamer maagd geweest.
Beatrix, die deze woorden in het geheel niet begreep, vroeg aan de portierster om zuster Custode, die zij eerder wel gekend had, eens te mogen zien. Deze antwoordde haar, dat zij maar in de kerk moest gaan waar op dit ogenblik zuster Custode zich ophield. Beatrix bedankte de portierster, trad de kerk binnen,
en tot haar grote verbazing herkende zij zichzelf juist zoals zij was voor haar diepe rampzalige val.
Zij liet een schreeuw en de gedaante, die zij voor een schim had aangezien, keerde zich om. Beatrix zag om haar voorhoofd een goddelijke stralenkrans schitteren. Zij herkende de H. Maagd, die haar glimlachend de sleutels van het klooster teruggaf, terwijl zij zei: “Gedurende uw vijftienjarige afwezigheid heb ik uw ambt bekleed; herneem thans uw plaats en doe voortaan boetvaardigheid.
Niemand ter wereld kent het gebeurde.”
Na deze woorden ontdeed zich de H. Maagd van het kloosterkleed , hielp het Beatrix aandoen, waarna zij plotseling verdween. Beatrix deed hetgeen de heilige Moeder Gods haar bevolen had en hield niet op haar tot het einde van haar leven vurig te bedanken. Later heeft zij het gebeurde en haar wonderbare redding aan haar biechtvader verhaald.
Zoals wij deze legende hebben weergegeven, vinden we ze bij veel schrijvers, aldus A. Van den Broeck in zijn “Historische Mengelingen” , uitgegeven in 1897.

Legende der H. Catharina van Leuven


De heilige Catharina werd geboren te Keulen, omtrent het midden der XIV-de eeuw, van joodse ouders. Toen zij vijf jaar oud was, werd zij naar Leuven gezonden, bij een broer van haar vader, die in het jodenkwartier woonde. Zij heette dan Rachel. Op die zo jeugdige ouderdom voelde zij reeds de goddelijke inspraak in zich. Nooit konden haar bloedverwanten haar die afkeer voor het christendom inboezemen, die erfelijk was in haar geslacht. Zij kwam met zekere weerzin bij de personen van haar godsdienst. Zij ondervond een geheime vreugde in het horen uitspreken van de naam MARIA en om daartoe gelegenheid te hebben nam zij dikwijls in stilte het overschot van de maaltijd weg, om het aan de armen te dragen, opdat deze armen haar zouden bedanken met: “Ik dank U in naam der heilige Maagd MARIA”.
Verscheidene malen zag zij in haar dromen de Moeder Gods, die haar aanraadde in die goede voornemens te volharden.
De ligging van het huis van haar oom in de nabijheid van de Sint-Pieters kerk was een gelukkige omstandigheid om aan die gevoelens te kunnen voldoen.
Het jodenkwartier lag ten Noorden van het kerkhof (thans de Margarethaplaats) en bevatte behalve de twee straten die het daarvan afscheidden, nog de huidige Jodenstraat. Deze straten hadden aan de ene zijde de houten en lemen huizen der joden.
Alhoewel het uitzicht van deze huizen arm en vervallen scheen, was daarbinnen meer luister en weelde ten toon gespreid dan bij de rijkste burgers. Ook binnen in de huizen waar nooit een christen binnenkwam, heerste een oosterse pracht, die dikwijls met het ellendige uitzicht van buiten afstak. Rachel woonde bij haar oom in een klein kamertje, dat op het kerkhof en de kerk uitzag. Aan het venster zittende, beschouwde zij uren lang het majestatisch gebouw, waarvan zij de geschilderde ramen in de zonneschijn zag glinsteren, en luisterde naar het orgelspel en de koorzang; dit bracht in haar ziel een onbekende ontroering teweeg.
De dagen van een grote plechtigheid, als de oude kerk met grote pracht versierd werd, als hare oude wijde deuren zich openden, als de processie met ontplooide vanen en banieren langzaam uitging,
als de priesters in hun rijke gewaden met goud en zijde gestikt, langszaam vooruittraden, dan werkte dit alles zo hevig op de inbeelding der jonge Jodin, dat zij zich zonder te weten op de knieën wierp, en haar gebed met de gezangen der kerkdienaars verenigde. Daarna viel zij in een lange overweging, en het leek alsof zij een openbaring had over de toekomst, die haar te wachtten stond. Zij zag zich zelf als maagd aan de dienst van de Koningin des hemels toegewijd. Zij zag zichzelf, te midden der christen meisjes, in processie langzaam door de straten gaan, naast de met fluweel overdekte troon van haar goddelijke patrones
Aldus sprak de godsdienst tot haar verstand en werd haar hart doordrongen met deze bloemrijke voorstellingen. Gedurende die lange beschouwingen. meende zij vaak een stem van boven te horen,
die haar met een naam noemde die de hare niet was. Het was de naam van een van de meest geëerde heiligen van het christendom, en Rachel dacht dat zij eens zo zou heten, maar dat alleen het doopsel haar die naam kon geven.
Sedert lang was in haar een vurig verlangen ontstaan om eens die kerk binnen te gaan.
In die tijd was het aan de joden op doodstraf verboden, in de kerken te komen. Maar haar godvruchtig verlangen was sterker dan haar vrees voor de dood.
Eens op een grote feestdag had, Rachel verborgen achter de kleine ruiten van haar kamertje, de gelovigen in groot aantal zich naar de dienst zien begeven. Op het uur der vespers, bij het vallen van de avond, zag zij de kerk verlicht worden. Zij trok stilletjes buiten het huis van haar oom, en dankzij de duisternis, die buiten heerste, kon zij in de kerk komen, eer iemand haar bemerkte. Maar nauwelijks was zij daar of haar vreemde kledij deed haar onmiddellijk erkennen. Een.gemor van afschuw ontstond rondom haar en daarop volgden kreten van verontwaardiging; maar Rachel hoorde noch zag, zo verslonden was zij in het aanschouwen van de godsdienstige plechtigheden.
Weldra nochtans voelde zij zich bij de schouders gegrepen en klonken de kreten van “heiligschennis”, en “ter dood de Jodin” in haar oren en deden haar van schrik het bloed in de aderen stollen. Zij zag zich omringd door een woedende en dweepzieke menigte, die haar wilde verpletteren en tegen de grond werpen. Zij zou haar daad misschien met haar leven bekocht hebben, maar gelukkig kwam een priester op het gerucht toegelopen; hij nam haar in bescherming en leidde haar buiten.
Hij vroeg haar op strenge toon of zij de wet niet kende, die aan de joden verbood door hun aanwezigheid de christen tempels te bezoedelen. Doch Rachel door tranen bewogen, gaf als antwoord dat zij niet werd aangedreven door een ijdele nieuwsgierigheid en minder nog de kerk had willen onteren, maar dat zij, ondanks de wet, zich niet had kunnen weerhouden de plechtigheden van nabij te komen bewonderen van een godsdienst, waartoe zij vanaf haar kindsheid zich aangetrokken voelde. De priester door dit antwoord getroffen, had medelijden met haar. Hij nodigde haar uit hem te komen bezoeken en hij zou haar in de christelijke leer onderrichten. Rachel bedankte hem en beloofde te zullen komen.
De priester, die de kleine Jodin verlost had, was een eerbiedwaardig en heilig man, Reinerius genaamd, en kapelaan aan het hof van Wencelijn, hertog van Brabant. Rachel bracht hem een bezoek, zoals zij beloofd had en vertelde hem openhartig haar voornemen om onderwezen te worden in het katholiek geloof. Reinerius versterkte haar in dit gevoelen en begon onmiddellijk haar de eerste onderrichtingen te geven.
De bloedverwanten van Rachel namen de verandering waar, die zich in haar voordeed. Zij werden op de hoogte gebracht van de lessen, die zij van een katholieke priester ontving, en vermoedden de waarheid. Zij vergaderden met de Jodenraad om te onderzoeken wat er te doen viel, om haar te beletten de wet van Mozes te verzaken. Er werd besloten haar over de Rijn te zetten en te huwen.
Wanneer Rachel dit vernam, ging zij verschrikt dit besluit aan Reinerius melden. De kapelaan beval haar hem ‘s morgens heel vroeg te komen vinden. Het meisje zag wel dat er voor haar geen redding meer bestond dan de vlucht, evenwel aarzelde zij nog. Zij verliet niet graag haar oom, die haar zo zeer beminde, en de goede oude voedster die haar opgevoed had. Zou zij haar vader en haar moeder dit verdriet aandoen? Gelukkig had zij gedurende de nacht een visioen, dat alle vrees deed verdwijnen: de heilige Maagd verscheen haar en hield een vlammende roede in de hand. Zij noemde haar “Catharina” en beval haar te vluchten.
Bij het krieken van de dag liep zij naar Reinerius en deelde hem die verschijning mede. Deze erkende de bijzondere genade, waarmede Maria dit meisje begunstigde. Hij besloot haar zelf naar de abdij van Vrouwen-Park te Rotselaar te begeleiden, waarvan de abdis een van zijn bloedverwanten was. Hij deed haar een mantel omhangen en het hoofd met een sluier bedekken en ging met haar onmiddellijk op weg.
De abdis ontving haar met goedheid. Zij liet haar diezelfde dag het doopsel toedienen, nadat Reinerius haar op de hoogte had gebracht van de bijzondere gunsten, waarvan deze jeugdige Jodin het voorwerp was geweest. Rachel werd bij de doop Catharina genoemd, de naam, die de H. Maagd had opgegeven. Korte tijd later nam zij het kleed aan van de orde van Citeaux. Nochtans was de tijd van haar beproevingen niet voorbij.
De bloedverwanten van Catharina, die haar schuilplaats ontdekt hadden, stelden alle middelen in het werk om haar met- of tegen haar zin terug te doen komen. Zij stelden hun klachten voor aan de hertog van Brabant, aan de bisschop van Luik en zelfs aan paus Urbanus VI met als rede dat men haar op minderjarige leeftijd gedwongen had het kloosterkleed aan te nemen. Het kwam zover dat er een onderzoek werd ingesteld, of men inderdaad misbruik gemaakt had van haar onwetendheid of haar jeugdige leeftijd.
Catharina verscheen voor haar rechters en sprak met zoveel overtuiging en duidelijkheid dat deze met eenparige stemmen verklaarden, dat haar bekering niet van de mensen, maar van de heilige Geest kwam.
De jonge Jood, die men haar tot echtgenoot bestemd had, beproefde op zijn beurt haar om te klappen. Veinzende Christen te zullen worden, begaf hij zich naar Vrouwen-Park om zijn nicht, zoals hij zegde,
te mogen zien en spreken. Men verhaalt dat Catharina de list ontdekte en hem verder weigerde te ontvangen.
Catharina leefde in het klooster vele jaren tot stichting van haar medezusters en stierf in geur van heiligheid. Korte tijd na haar dood werd zij heilig verklaard , onder de naam van de heilige Catharina van Leuven.
(pater L. Humblé in het “Gedenkboek 50 jaar O.-L.-Vrouwepark Rotselaar”, D/1978/1108/1 )

De huidige Montfortkapel.

Naar aanleiding van de heiligverklaring op 20 juli 1947 van Louis-Marie Grignion de Montfort
(1673-1716) werd door pater J.M. Hupperts een oproep gedaan bij de lezers van de tijdschriften “Middelares en Koningin” en “Médiatrice et Reine” om ter ere van deze Heilige een kapel te bouwen in Rotselaar.
Op 28 april 1954 (feestdag van de H. MONTFORT) had de eerste steenlegging plaats.
Het chronogram luidt:

Sancto Ludovico 761
A Montfort 1000
Virginis lubileo 65
Praecones voverunt 115
Innoxii 13
1954

Op 1 mei werd de kapel ingezegend door Mgr. Morel (missiebisschop, Scheutist).
Architekt E. Stassin, die door de Franse benedictijner bouwmeester Dom Paul Bellot gevormd werd, heeft dit bouwwerk gepland.
De aannemer was Eugène Mees uit Kermt.
De bakstenen kwamen van steenbakkerij Deneef uit Niel.
De gespanten kwamen van de gebroeders De Coene uit Kortrijk.
De firma Moons uit Wezemaal deed het houtwerk.
J Roelants uit Aarschot leverde het glas.
Firma Van Hove uit Leuven plaatste de verlichting.
Schilder Adams uit Wezemaal deed het verfwerk.
Klokkengieterij Sergeys goot de 75 kilo wegende klok, die op 3 juni 1956 gedoopt werd. Op de buitenkant was de volgende tekst aangebracht: in hon. St. L. M. A Montfort. Alurnnos ad Dei Culturn et
B. M. Virginis vocabo.

De klok werd geschonken door 3 families van leerlingen: Heeremans, Mertens, Matthews, en werd gezegend door Mgr. Van den Bosch.
Het altaar in blauwe arduin werd gekapt door de firma Peters uit Antwerpen. (kostprijs 50.000 fr.)
De 6 vergulde kandelaars en het tabernakel (met email versierd) zijn van goudsmid Swarzmann (Trier).
De Christus op het kruis werd door Hans Heizeil (Oberammergau) gekapt uit lindehout.
Op 8 dec. 1955 werd het altaar geconsacreerd door Mgr.Theunissen, Montfortaan, bisschop van Malawi.
Het Montfortraam in opaline is van de Nederlands-Limburgse kunstenaar Schoenmakers.
De kruisweg is gemaakt door Gust Boschmans uit Holsbeek. (Geschonken door fam. Vuysters).
Het Mariabeeld, uit een eiken balk gekapt door beeldhouwster Elisabeth Schaffrath (Duitsland), is gemaakt n.a.v. ons 50 jaar bestaan in Rotselaar in het jaar 1978.
Het wassen beeld van de H. Montfort op zijn sterfbed, in de eerste zijkapel, werd geschonken door de zusters Dochters van de Wijsheid, eveneens gesticht door de H. Montfort.
De zijaltaren werden vervaardigd in het tegelfabriek Agref in Wetteren.
In de sacristie heeft Ad De Brouwer uit Haarlem het Mariabeeld uit de oude abdij en de heilige
Catharina van Leuven in gekleurd glas weergegeven.
Het timpaan boven de hoofdingang stelt de barmhartige Samaritaan voor.
De geschiedenis van de Abdij Vrouwen park, hier gesticht in het jaar 1058, kan men o.a. lezen in “Gedenkboek 50 jaar O.-L.-Vrouwepark Rotselaar”.

Top

De Heilige Louis-Marie de Montfort en zijn 3 congregaties.

LOUIS-MARIE GRIGNION DE MONTFORT: zie ook www.montfortsite.be

1673 31 januari, geboorte van Louis Grignion in Montfort-sur-Meu in Bretagne
1700 5 juni (27 jaar oud): priesterwijding in Parijs
1700-1705 (27-32 jaar), hij stelt zich resoluut op aan de kant van de armen en brengt met succes Gods “Goed Nieuws” over.
Ook niet-armen volgen met aandacht de originele aanpak van de jonge priester.
Hij wijdt zich geheel toe aan Jezus door de handen van Maria. Dank zij zijn mariale houding gaat hij bijbel-echt leven.
“Totus tuus” d.w.z.: “geheel de uwe” is zijn leefmotief.
Hij schrijft een eerste werk dat beroemd zal worden: “DE LIEFDE TOT DE EEUWIGE WIJSHEID“.
1706 (33-37 jaar): overal gedwarsboomd, neemt Montfort het besluit zijn apostolaatsprojecten aan de paus voor te leggen.
In plaats van hem een “echt” missieterrein toe te wijzen, vraagt Clemens XI hem zijn missiepredikaties in Frankrijk
voort te zetten.

1706-1710 (37 jaar): al werkend ontwikkelt hij een eigen predikatiestijl. Een dramatisch hoogtepunt is ongetwijfeld de bouw van de
calvarieberg van Pontchâteau. Het is ook in die tijd dat hij zijn “RONDZENDBRIEF AAN DE VRIENDEN VAN HET KRUIS
op schrift stelt.
1710-1716 (38-43 jaar): Montfort treedt zijn volwassen leeftijd nu in, “volwassen voor God” wel te verstaan. Waar hij voorbijkomt,
gebeurt een stuk Bijbel. Velen dragen hem op de handen, anderen staan hem naar het leven.
In deze periode deelt hij zijn levensgeheim mee, want hij wil dat anderen het ook ontdekken.
Het ligt vervat in zijn twee beroemdste geschriften: “HET MARIAGEHEIM ” en “DE WARE GODSVRUCHT “.
1716 28 april sterft hij tijdens een missie in St-Laurent-sur-Sèvre in de Vendée.
1888 Zaligverklaring door Paus Leo XIII
20.07.1947 Heiligverklaring door Paus Pius XII

De montfortaanse familie :
De Paters en Broeders Montfortanen
De Zusters Dochters der Wijsheid
De Broeders van Sint Gabriël
+ Dieu Seul +

 

  

 
 
© Montfortcollege Rotselaar